Jonge protestantse kerkgebouwen kunnen heel mooi zijn

Veel mensen hebben weinig oog voor twintigste-eeuwse protestantse kerkgebouwen. Men valt en bloc voor de pracht en praal van middeleeuwse, rooms-katholieke kerken en kijkt voorbij aan protestantse gebedshuizen. Die worden als sober en saai betiteld. Volkomen ten onrechte, meent kerkgebouwenspecialist Herman Wesselink.

Door Herman Wesselink

Twee weken geleden is de uitslag van de verkiezing 'de mooiste Kerk van Nederland' bekend geworden, georganiseerd door de NCRV. Deze verkiezing heeft veel aandacht getrokken. Mensen konden kerkgebouwen voordragen en erop stemmen. Per provincie is uiteindelijk één kerk voor de finale gekozen. Afgelopen week volgde de einduitslag, met als winnaar de vijftiende-eeuwse, rooms-katholieke Sint Willibrordusbasiliek in Hulst. De brede historische gelaagdheid van de kerk en de ligging als levend historisch middelpunt in het hart van het middeleeuwse stadje vormden een paar argumenten voor de keuze voor deze kerk als winnaar (zie column 29 mei).

Eén ding valt steeds weer op tijdens dit soort verkiezingen: de keuze van mensen, vaak voorkomend uit emotionele argumenten, leidt uiteindelijk tot een oud, vaak middeleeuws en rooms-katholiek, kerkgebouw als winnaar. Jonge kerkgebouwen uit de twintigste eeuw moeten het meestal ontgelden, terwijl protestantse en rooms-katholieke architecten in de vorige eeuw heel verdienstelijke kerken hebben ontworpen. Een aantal kerkgebouwen is zelfs van internationaal belang.

Interbellum
Waaraan danken twintigste-eeuwse kerkgebouwen hun kwaliteiten? Protestantse architecten als B.T. Boeyinga en E. Reitsma gaven tijdens het interbellum een heel eigen, typisch protestantse en kerkelijke signatuur aan de profane bouwkunst van de Amsterdamse school. Des te opvallender was daarom dat Reitsma's 'gereformeerde kathedraal' in Andijk, uit 1930, niet werd genomineerd. Bij de verkiezing voor het 'mooiste gebouw van Nederland', twee jaar geleden georganiseerd door dagblad Trouw, was deze kerk wel meerdere keren door lezers voorgedragen.

Dit was niet zonder reden. De kerk dankt zijn bijnaam aan zijn voor een gereformeerde kerk uitzonderlijke omvang en monumentaliteit. Dankzij de financiële steun van rijke Andijkse bloembollenboeren kon dit kerkgebouw tot stand worden gebracht. Reitsma schiep een gebouw dat opvalt door zijn expressionistische vormgeving, schilderachtige compositie van bouwmassa's en markant silhouet dat ook vanaf het IJsselmeer goed zichtbaar is.

Waaiervormig
Het interieur is al even opvallend: een waaiervormig bankenplan en balkon, een monumentaal orgelfront, kleurige glas-in-loodramen en steile, rijk beschilderde parabool- en spitsboogvormige houten gewelven. Bij de inwijding in 1930 werd het door menig kerklid bekritiseerd als veel te rijk gedecoreerd voor een gereformeerde kerk, waarbij de ramen, tegen de oorspronkelijke opvattingen in, zelfs deels figuratief waren. Maar waarschijnlijk zou de voorman van de gereformeerden, Abraham Kuyper, zich goed in dit kerkgebouw hebben thuisgevoeld. Het ruimteconcept voldeed aan zijn ideaalbeeld van een rondom het Woord geschaarde geloofsgemeenschap.

De periode na 1945 heeft vele nieuwe kerkgebouwen voortgebracht. De verzuilde samenleving was immers tot de jaren zestig bepalend voor de opzet van nieuwe wijken, met als gevolg dat elke geloofsgenootschap een eigen kerk kreeg. Markante voorbeelden zijn de protestantse kerkgebouwen van M. Duintjer en K. Sijmons. Niet alleen hun vormgeving, maar ook de stedenbouwkundige situering van de kerkgebouwen is opvallend.

Kolenkit
Wat maakt de Amsterdamse Opstandingskerk van Duintjer, bijgenaamd de Kolenkit, of de Thomaskerk van Sijmons, ook in Amsterdam, zo bijzonder? Het nieuwe ruimteconcept, het materiaalgebruik en de sculpturale vormgeving? Er kan in ieder geval met zekerheid worden gezegd dat, vanuit de toen heersende functionele en modernistische opvattingen, op een geslaagd wijze een protestants-kerkelijke of sacrale sfeer is gecreëerd.

Aan de negatieve beeldvorming rond twintigste-eeuwse kerkgebouwen is vaak het principe van de functionele blokkendoos debet. Maar wie goed kijkt ontdekt dat het werkelijke moderne kerkgebouw zich onderscheidt, door het immateriële aspect, het licht en een zekere tijdloosheid. Wezenlijke elementen, die in de loop van tweeduizend jaar kerkbouwgeschiedenis tastbaar waren, blijken hier terug te keren. De mens komt tot inkeer; juist de soberheid en ingetogenheid nodigen uit tot gebed en contemplatie. De nieuwe sacrale bouwkunst, die zich vanaf circa 1900 stelselmatig probeert te verzoenen met meer profane, rationele en moderne bouwbeginselen, toont respect voor oude waarden en heeft een open houding naar de toekomst. Dit geldt ook voor de protestantse kerkbouw uit de twintigste eeuw.


Herman Wesselink is als onderzoeker verbonden aan de Vrije Universiteit Amsterdam en schrijft met name over actuele zaken betreffende kerkgebouwen en religieus erfgoed.


(12 juni 2009)

Reacties
Schrijf als eerste een reactie!
(Log in om te kunnen reageren)
Log in met uw gegevens
Uw emailadres
Uw wachtwoord
Nog geen account?
Klik dan hier om te registreren.