Onzichtbaar op de steiger

Onlangs verscheen een prachtig boek over monumentale kerkelijke schilderkunst uit het interbellum: De genade van de steiger. Herman Wesselink is enthousiast, het boek beantwoordt vragen over de moderne kunstgeschiedenis.


Door Herman Wesselink

Wat hebben barok en kerkelijke schilderkunst uit de interbellumperiode met elkaar gemeen? Welke positie moesten kerkelijke kunstschilders op de steiger aannemen opdat het effect van hun kunstwerken vanaf de grond gezien zo optimaal mogelijk werd? Hoe ver reikte de invloed van de Beuroner Schule in Nederland?
En vooral: hoe konden stromingen als het symbolisme en expressionisme tijdens het interbellum zo snel een belangrijke plaats in de kerkelijke schilderkunst gaan innemen?
Deze en nog veel meer intrigerende vragen kan men stellen bij de bestudering van het kersverse boek De genade van de steiger. Monumentale kerkelijke schilderkunst in het interbellum, gepubliceerd op 21 november j.l. en geschreven door kunsthistorica Bernadette van Hellenberg Hubar met een bijlage van Angelique Friedrichs. Zij hebben zeer belangrijk werk verricht door de verborgen rijkdom, die in de schemer van duistere kerkruimten uit het begin van de vorige eeuw schuilgaat, te onthullen. Het is een lijvig en erudiet werk geworden.

Beladen
De inleiding van het boek begint al met een boeiend betoog en nodigt beslist uit tot verder lezen, hoewel de dikte menig lezer ervan weerhoudt dat in één keer te doen. Bij het lezen van de eerste alinea’s komt de beladenheid van de monumentale fresco’s naar voren. Er wordt gesteld dat dit een vergeten periode binnen de kunstgeschiedenis is.
Op het moment van of kort na de voltooiing vond men dergelijke schilderingen door hun religieuze intentie vaak niet meer van de tijd.
Nog indrukwekkender is het verband dat wordt gelegd met de Kultuurkamer. In de jaren voor en tijdens de oorlog moesten kunstenaars daar lid van zijn en anders konden zij hun werk wel vergeten. Dat overkwam onder andere Jacob Ydema en Jean Adams.
Het kwam in de jaren na de oorlog voor dat kerkelijke schilderingen door hun hoge realistische en figuratieve uitdrukking met fascisme werden geassocieerd. Daar lag – zeker toen – een smet over. “Goede” moderne kunst was in die tijd veel abstracter. 

Steiger
Eén van de belangrijkste uitdagingen waar de kerkelijke schilders uit de interbellumperiode voor stonden, was de goede wisselwerking tussen kunst en architectuur. Wat de titel van het boek al aangeeft, werkten de kunstenaars op een steiger en moest hun werk zich vanuit hoogte goed vertonen. Vanuit elke hoek oogde het perspectief weer anders.
Anders dan met glasschilderkunst, dat met natuurlijk licht gevoed wordt, komen de soms tientallen vierkante meters schilderkunst vanuit grote hoogte – lees diepte – gezien goed tot hun recht dankzij de combinatie van indirecte lichtinval, de werking van hoofdlijnen van de architectuur en perspectief, en de verhouding van de hoofdcompositie tot de symboliek.
Beter gezegd: mits al deze factoren goed op elkaar zijn afgestemd. Elk muurvlak, absiskalot of gewelfvlak vroeg om een andere, eigen benadering en werkwijze. Inderdaad kon menig schilder de hem toegediende genade goed gebruiken voor dat optimale resultaat waarnaar hij en zijn opdrachtgever streefden.

Lach
In een periode waarin het ideaal van de middeleeuwse “biblia pauperum” had afgedaan in de kerkelijke kunst vroeg de opdracht om een andere werkwijze. De figuren moesten niet alleen goed zichtbaar zijn ter verhoging van de mystiek, het expressieve gehalte had ook de taak de aandacht van het kerkvolk bij de boodschap te blijven betrekken. Menig opdrachtgever en kunstenaar begreep wel dat een lichtvoetiger manier van uitbeelden – bijvoorbeeld een menselijk gezicht met een brede lach – een even grote zeggingskracht kon hebben als de met ernst geladen heiligen met iconen uit de negentiende eeuw.

Transcendentale
Maar tenslotte heeft de religieuze intentie van de schilderkunst uit het interbellum mede dankzij Van Hellenberg Hubars gezaghebbende onderzoek een andere connotatie gekregen. Het boek bevestigt datgene wat wellicht velen al jarenlang vermoedden: het is een ongekend rijk spectrum aan kunst die zijn waarde juist ontleent aan de binding met het transcendentale. Dit heeft eindelijk de aandacht en studie gekregen die het verdient.
Men hoeft niet gelovig te zijn om dit mooi te vinden, laat staan naar waarde te schatten. Willen wij de pluriforme verzuilde samenleving, die in de in de eerste helft van de twintigste eeuw op zijn hoogtepunt was, begrijpen, dan kunnen wij ook niet om (meer) kennis van deze kerkelijke kunst heen.
Men kan eenvoudigweg de vraag stellen: hoe valt het verloop van de laatnegentiende-eeuwse (kerkelijke) schilderkunst naar de abstracte moderne kunst te verklaren? De pluriforme en eclectische sacrale staalkaart valt dan precies op de juiste plaats in de periode van de overgang naar de moderne kunstgeschiedenis. 
En tenslotte: ook de protestanten ontbeerden in de eerste helft van de twintigste eeuw niet het gebruik van monumentale kunst. Wie meer wil weten, moet het boek bekijken en vervolgens de echte kunst in de kerken zelf beoordelen.

Herman Wesselink

Herman Wesselink is kunsthistoricus en onderzoeker aan de VU Amsterdam


Reacties
Schrijf als eerste een reactie!
(Log in om te kunnen reageren)
Log in met uw gegevens
Uw emailadres
Uw wachtwoord
Nog geen account?
Klik dan hier om te registreren.