Berend Boeyinga gebruikte gevaarlijk materiaal

De in maart 2003 afgebrande Koningkerk in Haarlem uit 1927, ontworpen door Berend T. Boeyinga (1886-1969) was één van de beste en meest complete staalkaarten van gereformeerde kerkbouw en inrichting volgens Abraham Kuypers richtlijnen.

Door Herman Wesselink

Dat blijkt onder andere uit een beschrijving die Boeyinga zelf gaf tijdens een lezing bij de ingebruikname van de kerk op 30 september 1927. Hij stelde onder meer dat het grondplan geheel vrij werd gevormd volgens de eisen die door Kuyper in Onze Eeredienst werden gesteld. Hij sprak van een kansel als centraal punt in de compositie, waarop alle zichtlijnen vanaf banken en gangpaden waren gericht. De kansel vormde met het orgelfront een architectonische eenheid met het gebouw.
De banken waren concentrisch opgesteld opdat elke toehoorder de predikant recht kon aankijken, terwijl de predikant de gemeente in één oogopslag kon zien onder een maximale kijkhoek van 135 graden, oftewel drieachtste cirkel. Daarmee streefde hij bewust naar een kleinere kijkhoek dan die in Tjeerd Kuipers’ Wilhelminakerk in Dordrecht (180 graden, oftewel een halve cirkel), waarop hij kritiek uitte.      
De achterste banken waren hooguit twintig meter van de kansel verwijderd. De kansel was zodanig in een nis geplaatst dat de preek in de hele kerk goed was te verstaan. Het hoge gepleisterde houten gewelf dempte de galm. Geheel volgens Kuypers richtlijnen kreeg het kerkinterieur diffuus licht door middel van in donkerder kleuren geschilderde wanden en met gekleurd glas-in-lood gevulde vensters. De bijbelse symboliek van die ramen, ontleend aan Openbaringen 21 en 22, was geen kunst op zich maar diende volgens Boeyinga de liturgische bestemming van het gebouw. 
Maar hoe schatplichtig de kerken van Boeyinga aan Kuypers visie ook waren, zijn werk ondervond in eigen achterban ook kritiek. De Rotterdamse architect Jos de Jonge (1887-1965), eveneens een trouwe volgeling van Kuyper, schreef in 1931 in weekblad De Reformatie een reeks opiniestukken naar aanleiding van kort daarvoor gereedgekomen gereformeerde kerkgebouwen. De Jonges bezorgdheid uitte zich onder andere naar de waaiervormige kerkgebouwen, waarvan het ontwerp moeilijkheden met zich meebracht, die in zijn ogen door de architecten soms verkeerd werden opgelost. Zo sprak hij zich uit tegen de waaiervorm met gedeelde beuken, die in de Boeyinga’s Koningkerk in Haarlem voorkwam.

Gevaarlijk materiaal
Gedeelde beuken druisten volgens De Jonge in tegen het principe van de eenheid in de rond de kansel geschaarde gemeente. De uit constructieve overwegen naar binnen geplaatste steunpunten maakten deze ruimtelijke oplossing in de Haarlemse kerk echter praktisch noodzakelijk. 
Maar de kritiek van De Jonge in De Reformatie beperkte zich niet alleen tot het ruimteconcept in de kerk. Hij oordeelde ook over de aankleding ervan, die in zijn ogen vaak onvoldoende getuigde van het zuivere karakter van de gereformeerde eredienst. Hij doelde in dit geval op de toenmalige trend gekleurd glas-in-lood met bijbelse of symbolische voorstellingen in het kerkgebouw aan te brengen, zoals in diverse kerkgebouwen van Kuipers, Boeyinga en Reitsma het geval was. De Jonge noemde gekleurd glas gevaarlijk materiaal.
In plaats daarvan zag hij liever enigszins getemperd glas dat de stemming in het gebouw ten goede kon komen en de aandacht van de kerkganger op de preek richtte. De Jonge kreeg in zijn commentaar bijval van een anomieme lezer van het weekblad, die schreef dat (symbolische) afbeeldingen van evangeliën in strijd waren met de levende verkondiging van het woord uit de bijbel en dat het kerkvolk daardoor de geloofsbelijdenis ontrouw dreigde te worden. De kerkgebouwen van De Jonge, zoals de Tidemanstraatkerk in Rotterdam (1924, gesloopt 1975) werden inderdaad van niet-figuratief, licht getemperd glas-in-lood voorzien.

Heiligenverering
Boeyinga’s Ontmoetingskerk in Bergen op Zoom (1928) is sinds de teloorgang van de kerk in Haarlem zijn beste nog bestaande werk. Het rijke onlangs gerestaureerde kleurenpalet in deze kerk geeft de ruimte een zeker cachet en stemmigheid, waarmee Boeyinga tegemoetkwam aan Kuypers richtlijn een stemmige vergaderzaal te creëren. Maar een dergelijk rijk gekleurd interieur ondervond evenzeer kritiek, onder meer van de gereformeerde architect Th. Anema (1874-1952) die het uitgedoste palet in strijd met de door gereformeerden nagestreefde soberheid vond. Andere gereformeerde tijdgenoten uitten kritiek op de gebeeldhouwde portretten van Bavinck en Kuyper aan het exterieur van de Haarlemse kerk, vanwege de in hun ogen verkapte vorm van “heiligenverering”.   
Alle kritiek van De Jonge, Anema en hun tijdgenoten ten spijt, kan ik niet anders concluderen dan dat Boeyinga’s kerkgebouwen wel degelijk een gereformeerde signatuur hebben of hadden. Qua ruimtewerking, maar ook qua aankleding waren ze typisch gereformeerd. De vrij opgevatte geometrische vormen en kleuren waren inherent aan de zelfbewuste signatuur van de protestantse kerkbouw tijdens het interbellum, die juist dankzij Kuypers richtlijnen in Onze Eeredienst mogelijk werd gemaakt. Anderhalf jaar voor de brand was ik in de Koningkerk in Haarlem en toen kreeg ik de indruk dat de verschillen tussen die kerk en een rooms kerkgebouw uit dezelfde periode nog altijd heel groot waren.

Herman Wesselink is kunsthistoricus en promoveert op protestantse kerkbouw aan de VU

Reacties
Schrijf als eerste een reactie!
(Log in om te kunnen reageren)
Log in met uw gegevens
Uw emailadres
Uw wachtwoord
Nog geen account?
Klik dan hier om te registreren.