A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

RSS

Houwink, Roelof Martinus Frederik

Gewijzigd op 17-09-2012 14:31 by host Gecategoriseerd als Markante protestanten
Afbeelding
Literator (Breda 17 januari 1899 - Zeist 3 juni 1987)

‘Roekeloos is het wat wij ondernemen,’ schreef Houwink begin jaren dertig in Opwaartsche Wegen. Christelijke kunst was een waagstuk. In 1925 had hij in de Utrechtse boekhandel Kemink, waar hij toen werkte, de Römerbrief van Karl Barth onder ogen gekregen. Lezing van het boek had tot gevolg dat Houwink, die vrijzinnig was opgevoed, zich als belijdend christen ging manifesteren. Door zijn bekering kwam hij terecht in de kring van jong-protestantse literatoren rond Opwaartsche Wegen. In de jaren dertig was Houwink redacteur van het blad, ook een van de belangrijkste woordvoerders.

Toch was hij een outsider, omdat hij de calvinistische herkomst van scribenten als Van Randwijk en Heeroma miste en ook literair andere wortels had. Houwinks Novellen (1920-’22), uitgegeven in 1924, geldt als het eerste expressionistische verhalende proza in Nederland.

Roel Houwink werd in het laatste jaar van de negentiende eeuw geboren, in Breda waar zijn vader directeur van een postkantoor was. Omdat Houwink senior werd overgeplaatst naar Middelburg bracht Roel zijn kinderjaren in de Zeeuwse hoofdstad door. Hij legde ze meer dan een halve eeuw later vast in Middelburgs dagboek. Tante Pos stuurde vader Houwink vervolgens naar Groningen en Utrecht waar Roel het gymnasium volgde. In april 1919 verhuisde het gezin naar Zeist. Een halfjaar later schreef Roel zich in als rechtenstudent aan de Utrechtse rijksuniversiteit. Ondertussen had hij zijn eerste schreden op literair terrein gezet. In 1918 was zijn gedicht ‘Zwerverseinde’ in het tijdschrift Stroomingen verschenen. De novelle ‘Muggendans’, die in 1921 in Elsevier’s geïllustreerd maandschrift werd gepubliceerd, markeert Houwinks debuut als prozaschrijver.

In Zeist leerde hij dorpsgenoot en dichter-in-wording Hendrik Marsman kennen, zoon van de plaatselijke boekhandelaar. Ze waren even oud en beiden hevig in de ban van het expressionisme dat vooral in Duitsland het culturele leven stevig in de greep had en zich kenmerkte door een teugelloze hartstocht en bezieling. Kunst als roekeloze onderneming. Marsman gaf hieraan dichtend uiting in zijn bundel Verzen die in 1923 verscheen, Houwink in zijn prozawerk Novellen (1920-’22) dat een jaar later het licht zag. Hun tijdschrift De Vrije Bladen, dat in 1925 aan het literaire front opdook, werd geen succes. Na een jaar verliet Marsman de redactie, tot de conclusie gekomen dat hij een literaire veldheer zonder leger was. Houwink ontdekte Barths dialectische theologie die zijn visie op de relatie tussen leven en kunst veranderde.

In navolging van de Zwitserse theoloog ging Houwink Gods absolute verhevenheid benadrukken (‘das ganz Andere’), met als keerzijde dat de christenmens zich in bescheidenheid diende te wentelen. Als God niet wezenlijk was te kennen en te begrijpen, kon je je handelen dan nog wel ‘christelijk’ noemen? Kon je überhaupt jezelf dan nog wel als zodanig afficheren? ‘Welk een pretentie God te willen dienen met het erbarmlijk werk van onzen geest,’ verzuchtte Houwink in Opwaartsche Wegen. ‘En toch: wij kunnen niet anders!’ Daarom was beoefening van christelijke kunst een hachelijke zaak. ‘Rakelings scheert hetgeen wij willen langs datgene wat godlasterlijk moet worden genoemd.’ Dit plaatste Houwink tegenover het door Klaas Heeroma gepropageerde ‘derde reveil’ waarin de dichter bijkans de rol van dominee werd toegekend, Opwaartsche Wegen de functie van kansel.

Het – gedwongen – einde van het blad in augustus 1940 betekende voor Houwink het begin van een werdegang die de doodsteek van zijn literaire carrière betekende. Hij werd lid van de Kultuurkamer, opgericht door de Duitse bezetter, en hij publiceerde in ‘foute’ tijdschriften. Met roekeloosheid had dit weinig van doen. Veeleer was sprake van bangheid: levend van de pen was Houwink bevreesd op zwart zaad te geraken. Cultuurpessimisme was ook in het geding. Individualisme en materialisme hadden naar Houwinks mening de Europese beschaving op de rand van de afgrond gebracht. De nieuwe Duitse orde propageerde volksgemeenschap en herstel van traditionele waarden en normen. De literatuur moest hier volgens Houwink haar steentje aan bijdragen. Lid van de NSB werd hij overigens niet, rassenhaat en jodenvervolging wees hij van de hand.

Na de bevrijding werd Houwink een publicatieverbod van vijf jaar opgelegd. Hij ging psychologie studeren, behaalde in 1952 zijn doctoraal en werd werkzaam bij de Stichting voor Hervormd Diaconaal Maatschappelijk Werk in Zeist. Hij nam de pen weer op; gedichten en recensies verschenen in In de Waagschaal. Ook publiceerde Houwink enkele bundels, maar veel aandacht trok zijn werk niet meer. In de jaren die volgden keerde hij het orthodoxe christendom de rug toe en zocht zijn heil bij oosterse religies. Toen hij enkele maanden voor zijn dood, in 1987, terugkeek op zijn tijd bij Opwaartsche Wegen overheersten verbazing en vervreemding. Het zei Houwink allemaal niets meer. ‘Ik kan geen verklaring geven voor dit gebeuren, maar moet het aanvaarden zoals het daar voor mij ligt in al zijn onbegrijpelijkheid.’

Auteur: Peter Bak, voor Protestant.nl, 21 december 2009

Informatie op internet: Instituut Nederlandse geschiedenisDigitale bibliotheek Nederlandse letteren

Verder lezen:' Hans Werkman, ‘Roel Houwink’, in: Dineke Colenbrander e.a., Opwaartsche Wegen. Schrijversprentenboek 28 (Den Haag 1989), 50-52 ; Anne Schipper, ‘Ik geloof niet, dat het goed is langer werkeloos toe te zien. Roel Houwink en zijn houding t.o.v. de Kultuurkamer’, in: Woordwerk VII, 25 (1989), 15-31

Thank you for evaluating SQLViewPro. If after your evaluation you wish to support great DotNetNuke software, please visit the store to purchase a membership. Use discount code 'TRIAL' at checkout for 10% off!