A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

RSS

Ledeboer, Lambertus Gerardus Cornelis

Gewijzigd op 17-09-2012 11:12 by host Gecategoriseerd als Markante protestanten
Afbeelding
Predikant (Rotterdam 30 september 1808 - Benthuizen 21 oktober 1863)

Markant was hij zeker, maar hoe Ledeboer eruitzag zullen we nooit weten. Afkerig als hij was van weelde en uiterlijk vertoon, keurde hij ten strengste af dat mensen zich in portretten lieten vereeuwigen. We moeten het daarom doen met omschrijvingen van derden, zoals van een achternicht die Ledeboer in zijn tienerjaren omschreef als ‘een bleeke jongeman’ die sterk bijziend was. Ook was haar achterneef, voegde ze eraan toe, ‘in de hoogste graad dweepachtig godsdienstig’. Wanneer het vermogende lakenkoopmansgezin Ledeboer zich ’s zondagsavonds na kerktijd aan een copieuze maaltijd zette, zat zoon Bert in een hoekje te somberen, pet diep over zijn ogen getrokken, zwijgend als het graf, geen hap etend. Stil protest tegen de ontheiliging van de sabbatdag in zijn ouderlijk huis.

Lambertus Ledeboer stamde uit een echt domineesgeslacht. Sinds de reformatie hadden maar liefst elf Ledeboeren het Woord des Heren bediend. Berts vader had echter voor het koopmanschap gekozen en diende de kerk in zijn vrijetijd, als ouderling en diaken van de Schotse kerk in Rotterdam. Ook was hij medeoprichter van het Nederlands Zendelinggenootschap en het Nederlands Bijbelgenootschap.

Al tijdens Berts kinderjaren duidde veel erop dat hij voor het predikantschap in de wieg was gelegd. ‘Het lag in mijn ziel, onder het spelen en leren,’ zou hij later zeggen. Op het Erasmiaans Gymnasium volgde dan ook een studie theologie in Leiden waar hij zich – uiteraard – verre hield van losbandigheden. Hij zocht echter evenmin contact met de kring van rechtzinnige, door Da Costa geïnspireerde studenten rond Scholte en Brummelkamp waarin de overtuiging leefde dat de hervormde kerk alleen door diepgaande reformatie was te redden.

Ledeboer leefde in Leiden als een eenling. Volgens hoogleraar J. Clarisse, die hem, als vriend van zijn vader, onder zijn hoede probeerde te nemen, gaf hij zich te veel over aan ‘het mijmeren in het duister, het opvolgen van invallen’. Dit laatste bleek in 1830 toen de golf van nationalisme die de Belgische opstand tegen de noordelijke Nederlanden teweegbracht ook Ledeboer in de greep kreeg. ‘Gij Nederlandsche vrouwen, houdt uw echtgenoot niet terug,’ schreef hij in zijn opzwepende vlugschrift Een woord aan mijne landgenooten. ‘Gespt hem met tranen het harnas aan, terwijl hij gereed staat zijn bloed te vergieten.’ Medestudenten die in wapenrok klaarstonden om ‘den Bels’ een lesje te leren stak Ledeboer met een toespraak in het latijn een hart onder de riem. Zelf kon hij, weinig schotvaardig vanwege zijn slechte ogen, niet op veldtocht mee.

In 1834 slaagde Ledeboer voor zijn proponentsexamen en keerde terug naar zijn ouderlijk huis in Rotterdam waar hij zich ging voorbereiden op het domineesambt. Dit nam hem niet minder dan vier jaar in beslag, al is onduidelijk of Ledeboer zich deze periode niet beroepbaar stelde of gewoon geen beroep ontving. In 1838 werd hij dan eindelijk in het ambt bevestigd, in Benthuizen, een dorp tussen Leiden en Gouda waar Ledeboer algauw in een geloofscrisis belandde. ‘Dat ging op leven en dood,’ memoreerde hij naderhand. Op de strijd volgde een bekering tot het orthodoxe, gereformeerde geloof die Ledeboer twee jaar later, in 1840, in conflict bracht met de kerkelijke autoriteiten, nadat hij bij de verkiezing van ambtsdragers de voordracht van – zijns inziens – lichtzinnige kandidaten had geweigerd. Ledeboer, driftig als hij was, dreef de zaak op de spits. Tijdens een kerkdienst, in november 1849, smeet hij de reglementen en de gezangenbundel van de kansel en begroef ze na afloop van de dienst, gadegeslagen door zijn gemeente, in de tuin van zijn pastorie. Vijf dagen later werd hij geschorst, in januari 1841 afgezet.

Ledeboer sloot zich aan bij de afgescheidenen, maar hecht of hartelijk werden de banden niet met deze groep malcontenten die zich in 1834 al van de hervormde kerk had afgekeerd. Op eigen houtje richtte Ledeboer nieuwe gemeenten op, die zich afzijdig hielden van de afgescheiden kerken en in 1849 geheel hun eigen weg gingen, nadat de afgescheidenen hadden verklaard geen aanspraak meer te maken op de naam en goederen van de hervormde kerk. Ledeboer laakte deze ‘vrijheidsaanvrage’ als zelfverloochening, wat hem verbond met Budding. De weigering als predikant toelating en erkenning bij de overheid te vragen deed beiden in de gevangenis belanden, maar waar Budding uiteindelijk boog, bleef Ledeboer zich tegen de vrijheidsaanvrage verzetten.

Na in maart 1845 op vrije voeten te zijn gekomen stelde Ledeboer zich geheel en al in dienst van zijn – informele – kerkgenootschap waarvan de meeste gemeenten zich in Zuid-Holland en Zeeland bevonden en waarbinnen hij bijkans als heilige werd vereerd. Studie had Ledeboer afgezworen; zijn preken waren ‘gemoedsuitstortingen’: hortende en stotende kanselredes, vruchten van zijn buitengewoon nerveuze temperament dat buitenstaanders aan zijn verstandelijke vermogens deed twijfelen. Hoezeer de gemeenten werden bijeengehouden door Ledeboers charisma bleek na zijn dood, in 1863, toen het kerkverband scheurde. Een deel van de ledeboerianen sloot zich in 1907 met de door Kersten geleide kruisgemeenten aaneen in de gereformeerde gemeenten.

Auteur: Peter Bak, voor Protestant.nl, 25 oktober 2010

Verder lezen': H. Natzijl, Verzamelde geschriften van/over ds. L.G.C. Ledeboer (Utrecht 1977-1980) ; H. Florijn, De ledeboerianen (Houten 1991)

Informatie op internet: Digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren

Thank you for evaluating SQLViewPro. If after your evaluation you wish to support great DotNetNuke software, please visit the store to purchase a membership. Use discount code 'TRIAL' at checkout for 10% off!